Landerijen

‘Oma, gaan we straks weer naar de landerijen?’
‘Kom jij eerst maar even aan tafel voor een boterham, knul. Wil je pasta of pindakaas?’
‘Pasta’, zei ik vol overtuiging en inventariseerde de hoeveel cacao-brûlée op het mes waar oma mee smeerde. Bij oma was de laag pasta altijd iets dikker ondanks dat ze de oorlog had meegemaakt.
De dag ervoor vertelde oma over het grapje van de ‘landerijen’. Opa sprak altijd vol trots over zijn landerijen waar we regelmatig bosbessen gingen plukken voor het toetje van die avond. Ik dacht dat het Mastbos van hem was en dat niemand anders daar bosvruchten mocht plukken. Na het grapje van de landerijen begreep ik dat opa wel vaker grapjes maakte maar er niet altijd bij lachte. Ik vond dat knap. Een grapje maken zonder te lachen.
‘Eerst je boterham met hartigheid, kleine deugniet’, zei oma met een knipoogje.
Logeren bij opa en oma was een tijd waar de grenzen iets ruimer geïnterpreteerd konden worden en dat probeerde ik dus ook. Zonder grens is er geen weerstand. Zo ben ik nou eenmaal.

Het Mastbos bij Breda stond ieder jaar tjokvol bosbessen en bramen. Als ik genoeg had geplukt voor m’n toetje mocht ik ‘vrij’ gaan spelen. Dan dook ik altijd meteen onder de varens omdat je daar verstoppertje kon spelen met iemand die me niet zocht. Geluidloos tijgeren naar de vijand die niet bestond.
‘Zorg je ervoor dat je mij nog kan zien? En als je dorst hebt kom je maar voor appelsap.’
Met een paar strepen citronella en een aai over m’n bol werd ik losgelaten in de ondoordringbare wildernis van het Mastbos. Opa concentreerde zich op de bosbessen. Oma bleef op de pleet zitten om een breiwerkje te vervolgen of te schrijven in het boek waar ik vanaf moest blijven. Oma kwam uit een gezin waar de kinderen twee of drie keer per jaar op vakantie werden gestuurd om de wereld te ontdekken. In die tijd was dat heel modern.

‘Emiel!!! Wil je een gevulde koeoeoeoek?!?’
Met lekker eten kreeg je mij tuk. Ik was gewoon een heel makkelijk kind. Ons moeder vertelde dat ik mijn eerste stapjes zette toen er een versgebakken appeltaart op de salontafel werd gezet.

Zoals u misschien weet, wandel ik tegenwoordig met enige regelmatig in de bossen rondom Stilburg. Op de Kampina zijn de bosvruchten in aanzienlijke hoeveelheden vertegenwoordigt en ook daar trakteren mijn soepele vingers gaarne op een versnapering van moeder natuur. Mijn lange armen komen dan goed van pas om de vetste bramen te veroveren op gepensioneerden zonder trapje.
Ik ben een keer bosbessen gaan plukken met mijn toenmalige vriendin. Ze vond het ook zo leuk om een paar bessen te kauwen en dan naar elkaar te lachen. Ik kan me nog herinneren dat ik die avond erg goed werd geneukt. Bosvruchten zijn heel gezond. Dat weet ik nu.

Opa was een koele kikker. Hij speelde viool zonder bladmuziek, rookte een kistje sigaren per week en hij mocht graag een potje tennissen met z’n matties. In de oorlog wist hij twee keer te ontsnappen uit hetzelfde werkkamp. ‘De tweede keer was na de bevrijding hoor’, zei hij zonder te lachen. Een keer vertelde hij over het begin van de oorlog, dat hij echt geluk had toen de nazi-kogels afketste tegen een defecte brommer waar hij zich achter had verscholen. Opa was niet gelovig maar hij keek naar boven toen hij dat vertelde.

Andere opa was het type man dat zijn bord laat volscheppen door zijn echtgenote, alles door elkaar prakt en dat met één oogopslag kan duidelijk maken dat de jus in het kuiltje gegoten mag worden. De gehaktballen van andere oma (dat is die met de nieuwe knie) waren net zo lekker. Als het winterde stopte ze een warme kruik onder de dekens als mijn broer en ik onze tanden poetsten in het badkamertje met de indrukwekkende verzameling badzout.

Als er wat gevierd moest worden gingen we met de hele familie naar een restaurant. Daar had sigaren-opa een soort ritueel als we aan de koffie-na-het-eten zaten. Dan wenkte hij de serveerster om iets te vragen en begon zijn vraag met ‘juffrouw?’. Vervolgens fluisterde hij in het oor van de betreffende serveerster.
Zijn schoondochter vroeg dan aan de serveerster of hij weer iets ondeugends had gezegd. ‘Heel ondeugend’, antwoordde de serveerster en liep met een paars gezicht naar de volgende tafel. Oma gniffelde al nee-schuddend achter haar kopje koffie.
Na het eten rookten opa en ik sigaar. Tijdens één van de laatste etentjes heb ik gevraagd wat hij nou altijd tegen de serveerster zei. Met een sigaar tussen zijn lippen antwoordde hij: ‘Juffrouw, als u hier zo staat, dan kan ik récht bij u naar binnen kijken’. Hij vertelde mij dit zonder te lachen.
Op een dag maakte opa geen sjans met de serveerster. Drie weken later stierf hij in het ziekenhuis. Hij is 94 jaar geworden met een kistje sigaren per week.
Oma kreeg twee jaar later haar tweede beroerte. Ze stierf door het toedienen van palliatieve sedatie. Ik heb een mooi leven gehad. Dat waren haar laatste woorden.

Sigaren-opa was een man van principes. De begrippen solidariteit en rechtvaardigheid waren er met de paplepel ingegoten. Opa was een beleefd man en iemand van stand.
Opa was een heer, en een heer heeft landerijen.

Advertisements
This entry was posted in Puzzelen. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s