De pizza (van vreugde en jolijt)

Het was behoorlijk druk bij de huisarts. Jan van de Marel zat al twintig minuten in de wachtkamer. Een vrouw met twee kinderen zat naast hem. Het oudste jongetje van de twee bekeek hem vanachter het dijbeen van zijn moeder. Jan van de Marel gaf een knipoogje en lachte. Het ventje dook weg onder haar vleugel.
Eindelijk was hij aan de beurt. De dokter hield de deur voor hem open. Ze gaven elkaar een hand.

‘Angelique Van Dam. Aangenaam. Komt u verder, meneer.’
De dokter bood hem een stoel aan.
‘Insgelijks’, antwoordde hij. Hij glunderde zelfs een beetje.
‘Mag ik uw geboortedatum nog even?’, vroeg de dokter.
’18 november 1967. Van de Marel’, antwoordde hij.
De dokter typte de geboortedatum in en maakte een paar zenuwachtige rotaties met de muis. Daarna klikte ze een keer of acht op de muisknop. Ze nam de hoorn van de telefoon, klikte nog twee maal en plaatste de hoorn weer terug op het toestel.
‘We hebben een nieuw systeem…’, zei de dokter.
Jan van de Marel liet een stilte vallen.
‘Alles goed en wel. Meneer, wat kan ik voor u doen?’
De dokter keek haar patiënt aandachtig aan.
‘Dokter, ik ben gek…’
‘Gek?’, vroeg de dokter.
‘…geworden…’, vervolgde hij.
‘Geworden nog wel. Meneer, wat bedoelt u precies?’
‘Wat ik bedoel? Nou, dat ik gek ben gew…’
‘Ja ja, gek geworden. Maar heeft u iets raars gedaan of zo?’
‘Denkt u dat?’, vroeg hij.
‘Dat weet ik niet. Ik vraag het aan u.’
Jan van de Marel gaf geen antwoord.
‘Heeft u lichamelijke klachten?’, vroeg de dokter vervolgens.
‘Niet echt’, antwoordde hij.
‘Aha! Daar komt de aap uit de mouw’, grapte de dokter.
Meneer van de Marel wees op zijn borst. De dokter vroeg of ze mocht kijken naar de plaats op zijn bovenlijf waar het textiel was opgefleurd met donkerrode vlekjes. Hij trok zijn shirt en trui in ene omhoog. Een open wond ter grote van een pizza kwam tevoorschijn. Er kleefde opgedroogd bloed in zijn borsthaar. Een stukje van zijn ribbenkast was zichtbaar. De dokter stond op en trok ze rubberen handschoentjes aan.
‘Wat gaat u doen?’, vroeg Jan van de Marel licht panikerend.
‘Meneer, hoe lang loopt u hier al mee rond?’, vroeg de dokter, kijkend naar het gapende gat.
‘Al een tijdje’, antwoordde hij.
‘Een maand of een jaar? Of twee of drie weken?’
‘Zegt u met maar. Ik ben geen dokter, mevrouw.’
‘Meneer, u hoeft mij niets wijs te maken.’
‘Waarom vraagt u het dan?’
‘Meneer, dit ziet er niet best uit. Ik ga dit eerst even schoonmaken.’
‘Is dat nodig?’, vroeg hij ongerust.
De dokter pakte een flesje met doorschijnende vloeistof en verbandgaas. Ze begon de ernstig geïnfecteerde wond te deppen met de vloeistof.
‘U houdt zich sterk, meneer’, zei de dokter.
‘Ik voel niks’, zei hij rustig.
De dokter reageerde niet.
‘Het voelt goed’, voegde hij er aan toe om de situatie duidelijk te maken.
‘Goed, zegt u? U bent niet wijs.’
De dokter prikte een paar keer met haar wijsvinger in de open wond tot haar tweede kootje er in wegzonk. Ze keek haar patiënt aan en bleef in de wond frunniken. Jan van de Marel schudde zijn hoofd en krulde zijn lippen alsof hij een kusje wilde geven. Na een paar minuten was de dokter klaar met de verzorgende taak.
‘Meneer van de Marel. U krijgt een antibioticakuur en ik u wil u morgen weer op het spreekuur zien om het nogmaals schoon te maken. Meneer, dit is een zeer ernstige ontsteking. Begrijpt u wat ik zeg?’
‘Nee’, antwoordde hij stellig.
‘Meneer van de Marel, nou moet u even goed naar mij luisteren. Dit hier…’
‘Waarom moet ik naar u luisteren? U luistert ook niet naar mij. U laat mij niet eens uitspreken.’
De dokter keek hem verwonderd aan.
‘Heb ik u niet laten uitspreken?’, vroeg de dokter.
‘Ja, mevrouw. Maar dat geeft niet hoor. Ik weet genoeg’, zei hij.
‘U bent gek geworden.’
‘Juist. Zover was ik ook gekomen.’
‘Luister, meneer van de Marel. Ik geef u dit recept mee en morgen…’
‘Doet u geen moeite, mevrouw’, onderbrak hij de dokter. ‘Nou, ik ben er weer eens van tussen. Bedankt, dokter! En alvast een prettig weekend!’

Jan van de Marel huppelde fluitend terug naar huis. Het was een zonnige doordeweekse dag. Hij genoot met volle teugen. Onderweg stak hij een sigaret op. Bij het inhaleren werd de rook door het weefsel van zijn bovenkleding naar buiten gedrukt. Hij kon het wel uitschreeuwen.
De overbuurvrouw zwaaide toen hij zijn voordeur naderde. Of hij zin had in koffie, vroeg ze met gebaren. Hij zwaaide terug en wees naar de rook door zijn trui. Bovendien had hij al liters koffie gedronken. Liters.
Jan van de Marel danste in zijn blote bast door de huiskamer tot de deurbel ging. Het bloed gutste al weer uit het gat in zijn borstkas. De buurvrouw hoorde hoe hij de muziek nog harder liet spelen. Ze drukte nogmaals op het knopje maar dan wat langer. Hij spiekte door het raam. Ze hield de thermosfles omhoog. Een rol koekjes in de andere. Hij keek haar aan en begon met een vlakke hand in zijn pizza te plempen. Met een glimlach schudde ze haar hoofd. Hij lachte ook en knikte uitbundig van ja. De buurvrouw ging met de volle kan koffie en de rol onaangebroken weer op huis aan. Jan van de Marel danste verder.

Advertisements
This entry was posted in Korte verhalen, Puzzelen. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s