Disorder

Ik loop altijd een paar jaar achter de mode aan. Het bespaart een hoop geld en uiteindelijk mis je niks. Zo zag ik laatst de film Control van ons aller Anton Corbijn.

Een kort verhaal naar aanleiding van een nachtelijke autorit met Joy Division in de cd-speler… en Elvis.

Disorder

We rijden op de middelste baan van een driebaans snelweg, een kilometer of vijftig per uur. Voor ons is niemand te zien, in de spiegel een lange colonne politiewagens. Het lint van rode en blauwe zwaailichten achtervolgt ons als een hongerige gifslang. Een helikopter schijnt ons bij met een zoeklicht.
Af en toe komt een politiewagen naast ons rijden. Dan horen we een mannenstem door een megafoon schreeuwen, dat we moeten stoppen. En wel nu meteen!

“We zijn er bijna,” zegt hij rustig.
“Ja, we zijn er bijna,” zeg ik.
“Waarschijnlijk komen we nog één wegblokkade tegen, maar dat kan niet veel zijn.”
“Nee, dat kan nooit veel zijn.”
De vorige blokkade was een koud kunstje. Met het grootste gemak slingerde hij langs de overdwars geparkeerde politiewagens. Hij is een geweldige chauffeur. Zijn stuurmanskunst heeft iets weg van een Zuid-Amerikaanse topvoetballer die met een paar eenvoudige schijnbewegingen door de linies breekt en met gesloten ogen de doelman passeert. Hij speelt met het gewicht van zijn wagen, alsof hij een bezemsteel op het topje van zijn wijsvinger laat balanceren. Hij vertrouwt op zijn stalen sjees, en hij vertrouwt op Elvis Presley.
Sinds we elkaar kennen heeft hij het een paar keer gezegd: “Als je niet weet wat je moet doen, blijf dan in ieder geval rustig. Stay cool, net als Elvis. Zorg dat hij trots kan zijn op jou.”
Toen we op de vorige wegblokkade afreden, zal hij ook aan Elvis hebben gedacht. Gewoon rustig blijven, dan komt het allemaal vanzelf goed. We zaten tegen de honderdtachtig per uur. Hij liet de motor van zijn wagen het hoogst mogelijke toerental produceren. De achtervolgers namen afstand toen we de wegversperring tot op een paar honderd meter hadden genaderd. Zijn rechtervoet bewoog geen millimeter. Op een of andere manier was hij er van verzekerd dat wij hier zonder kleerscheuren vanaf zouden komen.

We laten ons niet meer beetnemen, besloten we vanmorgen. We hebben ze nog gewaarschuwd, maar ze wilden het niet van ons aannemen. Nou, dat hebben ze geweten hoor. Dat hebben ze godverdomme geweten.
Was het goed?
Of was het slecht?
En wie bepaald dat?
Het kan ons geen moer schelen.

Vanaf het moment dat de achtervolging begon, zat hij achter het stuur alsof we naar de supermarkt reden voor de wekelijkse boodschappen: zijn linker hand losjes boven op het stuur, de andere hand op de versnellingspook.
Als hij achter het stuur zit, dan beleeft hij een soort superconcentratie. Scherp en alert voor het geval een buitenstaander het voedsel uit zijn territorium komt roven. Rustig en beheerst om energie te sparen voor als het er echt om draait.
Regelmatig zoekt hij in de spiegels naar verdachte bewegingen. Met dezelfde regelmaat bekijkt hij mij vanuit zijn ooghoeken.
Het stelt me gerust.
“Ze nemen weer afstand,” zegt hij. “Ik denk dat de laatste blokkade er aan komt.”
Hij geeft alvast gas bij.
De rode en blauwe zwaailichten reflecteren steeds minder op het dashboard.
Hij schakelt een versnelling hoger.
In de buitenspiegel zie ik de witte strepen op het wegdek steeds sneller voorbijschuiven, maar als ik mijn ogen sluit, voel ik niet dat de snelheid toeneemt. Alleen als ik goed luister hoor ik een lichte schommeling in het toerental van de motor als hij doorschakelt.

We horen iemand wakker worden, waarop hij begint te glunderen.
“Wil je haar even op schoot nemen? Dan kan ik naar haar kijken.”
Als ik haar in mijn armen neem, dan denk ik altijd heel even aan Elvis. Het lijkt alsof ze dat voelt, dat ik rustig blijf en cool ben, dat ik trots ben op haar.
Ze slobbert uit haar flesje en kijkt ondertussen naar haar vader, die zijn aandacht met veel moeite op de weg weet te houden.
“Drink maar lekker,” zeg hij. “We zijn er bijna.”

We rijden de helling van een brug op. Als we de rivier oversteken zien we in de verte een opeenhoping van zwaailichten en bouwvakkerslampen.
“De laatste blokkade,” zegt hij.
Ik leg haar voorzichtig terug op de achterbank en stop haar toe. Bijna direct valt ze in slaap.
Ik draai de rugleuning helemaal horizontaal, trek de deken over me heen en ga op m’n zij liggen. Ik wil dat ze haar moeder ziet als ze wakker wordt.
Hij grabbelt in het dashboardkastje naar een cd. Het is Unknown Pleasures van Joy Division. De openingstrack is Disorder, dat weet hij maar al te goed.

Hij schakelt naar de hoogste versnelling. Zijn rechtervoet drukt het gaspedaal tegen de bodem. Als het toerental niet meer oploopt, vallen mijn ogen dicht.
“Nog een klein stukje,” zegt hij. “We zijn er bijna.”
We blijven rustig, we zijn cool, we denken aan Elvis.
Knipperende lichten schijnen steeds feller door mijn oogleden.
Het geluid van loeiende sirenes links en rechts.
De auto zwenkt lichtjes.
Het voelt als wiegen.

Dan rijden we weer in een rechte lijn.
Met grote teugen zuigt hij de lucht diep in zijn longen.
Ze wisten het, dat hij niet zou stoppen.

De knipperlichten doven weer.
Het toerental daalt.
De helikopter verdwijnt en we rijden rustig verder.

Advertisements
This entry was posted in Korte verhalen and tagged , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s