Amy Winehouse over de wereld, en dat soort dingen.

De deurbel gaat. Sinds ik hier woon, heeft er nog nooit iemand ’s nachts voor de deur gestaan.

Ja, vorig jaar een keer. Toen werd mijn nachtrust verstoord door het bonzen op ramen en deuren en de deurbel die seconden achter elkaar werd ingedrukt. Dat er iets loos was. Ik veerde op en trok de gordijnen open om te zien wie of wat. De buurvrouw stond onder mijn raam. Ze riep dat er brand was bij Terry, haar buurman, mijn overbuurman. Met een wapperende vinger wees ze naar het pand van onze straatgenoot. Ik opende het raam, stak mijn hoofd naar buiten en zag hoe donkergrijze rookpluimen door het ventilatierooster van Terry’s woning naar buiten werden gedrukt. De sirene van een brandweerwagen klonk in de verte. Dus toen heb ik de wodkafles even aan m’n mond gezet, om daarna weer rustig te gaan slapen.

Het is zo’n ouderwetse van metaal, aangeslagen door een elektrisch aangedreven kloppertje, ook van metaal. Met een snelheid als de tongslagen van een adder worden de indringende frequenties aangemaakt. Metaal op metaal. Vanuit de hal het trapgat in, om daar versterkt te worden als in de hoorn van een blaasinstrument.

De deurbel klonk niet lang genoeg om een urgente indruk te maken. Maar het was ook niet zo kort dat het onopgemerkt zou kunnen blijven. Het was een voorzichtige uitnodiging. Huis-aan-huisverkoop, een collecte, de buurjongen die zijn voetbal over de schutting schoot. Maar het is nacht.
Wie kan dit zijn? Het denken aan de mogelijke bezoeker, laat me bijna weer in slaap vallen, tot de deurbel nogmaals rinkelt. Wederom zonder aandringen.

Dan hoor ik een mannenstem. Twee mannenstemmen. Twee mannen staan in het holst van de nacht bij mij voor de deur. Ze praten rustig, bijna fluisterend. Ik sluit mijn ogen en probeer iets van de conversatie op te vangen. Het zijn geen lange zinnen, hooguit vier of vijf woorden per beurt. Ik kan er niet veel wijs uit. Het klinkt niet bedreigend, zorgwekkend evenmin.
“Oké,” hoor ik er eentje zeggen.
Voetstappen op de straatstenen. Lange passen met houten hakken. Iedere stap wordt opgevolgd door een zachte echo die je alleen hoort als er geen kip op straat is. Dan blijft de man staan.

Ik krijg een schok te verwerken vanwege een tikje tegen mijn slaapkamerraam. Een volgende druk op de deurbel was te verwachten, en als deze meerdere seconden was ingedrukt, dan had ik daar niet eens raar van staan te kijken. Maar dit had ik dus niét verwacht. Eén van de mannen moet een steentje hebben opgeraapt.
En wéér een tikje. Godnondeju! Meteen daarna:
“Hé, mooie leipo! Word eens wakker!”
Godzijdank. Een bekende stem, al weet ik zo gauw niet van wie. Het is goed volk, geen twijfelen aan. Die andere man ken ik nog niet. Maar degene die me riep, die weet wie ik ben!
Ik spring uit bed, trek een T-shirt aan. Een korte blik in de spiegel laat me glimlachen omdat een plakwimper is achtergebleven op mijn hoofdkussen. Zwarte make-up all over the place. Ik zie er uit om op te schieten. Dat zijn ze hier wel van mij gewend.
Vol verwachting ruk ik de gordijnen open en meteen begin ik te gillen van opwinding als ik zie wie de nachtelijke bezoeker is. Hij staat aan de overkant van de straat onder het witte licht van een lantaarnpaal. Nonchalante als altijd, wijdbeens met zijn handen in de zakken. Die ontwapenende grijns heeft hij nog steeds niet verloren. Terwijl ik het raam open maak, zwaait hij naar me. Zijn zwarte vingerloze handschoenen, lange donkere haren over de schouders van zijn spijkerjack. En natuurlijk een zonnebril. Joey draagt altijd een zonnebril.
“Joey!” roep ik als ik het raam open duw. Ik kan het bijna niet geloven.
“Hé, kleine tijger,” hoor ik onder me.
“Dee Dee!”
Ik gil nog een keer met de handen voor m’n mond. “Wat de fuck doen jullie hier?!”
“Sssst, niet zo hard,’ zegt Joey half lachend. “Je maakt de hele straat nog wakker met dat gekrijs.”
“Ja maar? Ja maar?” Ik kan nog steeds niet geloven dat de gebroeders Ramone bij mij voor de deur staan.
“We hebben goed nieuws,” zegt Dee Dee.
“Wacht, ik kom er aan!”
Ik roffel de trap af, trek de voordeur open en spring in de open armen van Joey. Hij pakt me lekker stevig vast. Zijn lange lijf tilt me even van de grond. Eigenlijk wil ik hem beklimmen en mijn neus in zijn hals drukken, zijn volwassen mannenstank vermengen met mijn kegel. Joey weet dat ik dat lekker vind, maar hij kust me op de wang en geeft me een gemoedelijk duwtje richting Dee Dee. Nog zo’n heerlijke stinkerd die het podiumzweet niet meer uit zijn systeem krijgt. Dee Dee is wat minder hoffelijk van aard. Hij pakt mijn hoofd met twee handen vast en geeft een kus op m’n mond. Dee Dee is een schatje.
“Kind, wat ben ik blij jou weer te zien.” Hij glimlacht met pufjes lucht door zijn neusgaten. “Was het gezellig gisteren?”

61737d8c5c983f8161979d0280bdf93f

Joey en Dee Dee Ramone

Om beurten kijk ik ze aan. Ze zijn groot en wild en stoer, en ze komen speciaal voor mij. We zijn geen familie maar het voelt alsof ik hun zusje ben. Ik hou van deze gasten.
Joey neemt zijn zonnebril af – een uitzonderlijke vertoning. Hij blijft me aankijken met jongensachtige ogen. Een nieuwe golf van opwinding trekt door m’n lijf. Met trappelende voeten op de koude stoeptegels, ga ik tussen beiden staan, sla ik mijn armen om hun middel. Als een gigantische koptelefoon druk ik hun borstkassen tegen mijn oren. Ik wrijf mijn handen snel en stevig over hun ruggen.
“Mogen we even binnenkomen?” zegt Joey.
“Ja, ja. Kom binnen, kom binnen. Willen jullie een biertje?”
Natuurlijk lusten ze een biertje.

Joey en Dee Dee lopen de huiskamer binnen. Terwijl ik de voordeur sluit, vraag ik waarom ze in godsnaam midden in de nacht op visite komen, en waarom ze in godsnaam niet eerst even konden bellen, dan had ik me iets feestelijker kunnen kleden. Voor de spiegel in de hal trek ik de overgebleven plakwimper los. Normaal gesproken doet dat even pijn, maar nu is het niets meer dan een kriebeltje.
“We kregen een spoedklus van de Elvis,” zegt Joey vanuit de woonkamer.
“Echt waar? Wauw!” Als Elvis een spoedklus heeft, dan is het ook daadwerkelijk een spoedklus. Ik ben zó benieuwd. “Vertel! Vertel!”
“Pak eerst eens onze biertjes en kom dan even rustig zitten.”
Dee Dee neemt mijn akoestische gitaar uit het standaard en gaat ook aan tafel zitten. Hij onderbreekt zijn spel als ik een blikje kouwe tets voor z’n neus zet. We proosten op de koning en nemen de eerste slok. Een moment van berusting zweeft door de woonkamer. Dee Dee laat een boer.
“Oké!” zeg ik met een aanmoedigende pets op tafel. “Voor de draad er mee.”
“Luister, Amy,” zegt Joey. Hij laat een tactische stilte vallen. “Het loopt daar beneden helemaal uit de hand en Elvis heeft er zo onderhand schoon genoeg van. Hij heeft besloten om actie te ondernemen.”
“Een interventie? Ja, echt?”
“Nou, je moet het iets genuanceerder zien. Hij gaat zelf niet naar beneden, althans, voorlopig niet. Hij heeft ons gevraagd om uit te zoeken of er iemand vrijwillig wil gaan. Hij heeft ons gevraagd eerst bij jou aan te bellen.”
“Dit meen je niet?”
“Ja, Amy. Jij mag, als je wilt, naar beneden. To kick some ass!”
“Mijn god…”
“Je mag er rustig over nadenken. Het heeft geen haast.”
Ik neem een grote slok van mijn bier en steek een sigaret aan.
“Godsamme. Je overvalt me.”
“Het heeft geen haast. Echt niet.”
“Joey, het is diep in de nacht en wij zitten aan het bier. Vind je het oké dat ik vermoed dat het weldegelijk haast heeft?”
“Ja, sorry… Er zit inderdaad behoorlijk was spoed achter. Sterker nog, je moet een beslissing nemen voor die sigaret op is.”
We kijken naar de sigaret tussen mijn vingers die voor een kwart is opgebrand.
“Ach, kom,” zeg ik. “Zo erg kan het beneden toch niet zijn? Het zal wel loslopen. Toch?”
“Wil jij het risico nemen?” vraag Joey.

Dee Dee speelt het intro-rifje van Metallica’s Harvester of Sorrow.

De actualiteiten van de laatste weken schieten door m’n hoofd.
Een koude rilling trekt over mijn rug.
Elvis heeft niet voor niks een interventie op het oog.
Ik leg de sigaret in de asbak en steek een nieuwe op. Dee Dee geeft een knipoogje.
“Waarom ik? Waarom heeft hij Lennard niet gevraagd? Of David?”
“Lennard en David moeten nog even bijkomen. Dat gaat echt nog niet,” zegt Joey.
“Ja, oké. Maar waarom ik?”
“Lieverd, je hoeft niet te gaan.”
De sigaret is inmiddels voor meer dan de helft opgebrand.
“We dachten dat jij het misschien wel leuk zou vinden om Blake weer te zien.”
“Nee, Joey. Dat vind ik gemeen. Je weet dat Blake mijn zwakke punt is. En bovendien ga ik het nooit lang uithouden met hem. Dat weet jij dondersgoed! En dat weet Elvis helemaal dondersgoed!”
“Sorry.”

Er valt een langdurige stilte.
Of ik het risico wil nemen?

We kijken naar de sigaret die de filter begint te verwarmen.
De lange askegel breekt af.

Ik heb een borrel nodig.

PRIJSVRAAG
Welke bestsellerauteur lees je terug in dit verhaal?
De eerste met het goede antwoord wint natuurlijk een gesigneerd exemplaar van mijn debuutroman.
Doe eens gek! Doe een gok!
Je kunt ook op veilig spelen en mijn boek bestellen op voordekunst.
https://www.voordekunst.nl/projecten/5300-export-roman-1

Veul succes!

Advertisements
Image | This entry was posted in Korte verhalen. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s