Prei

Er bestaan drie soorten prei: zomerprei, herfstprei en winterprei. Herfstprei wordt geoogst van begin oktober tot eind november. Een leuk klusje voor de jeugd tijdens de najaarsvakantie.

Mijn maatschappelijke carrière begon op het Brabantse platteland. Ik was twaalf jaar. Toentertijd was het heel normaal dat je in de schoolvakanties op ‘t land werkte. Met een beetje fantasie kun je daar een geromantiseerd beeld bij vormen:
Vrolijke pubers met gezonde koppies tussen het groen van de oogstrijpe gewassen. Zorgvuldig plukken ze de opbrengst van een vruchtbaar seizoen. Natuurlijk, dat extra zakcentje is mooi meegenomen, maar het leveren van een bijdrage aan de samenleving, daar mag je trots op zijn.
Rond het middaguur zit iedereen in een grote kring. Een jerrycan aanlenglimonade staat in het midden. De kinderen mogen zelf hun bekertjes tappen.
“Zo veel je maar wilt,” zegt de boerin, want het is een warme zomerdag. De schaduw van de populieren zorgt gelukkig wat voor verkoeling tijdens de lunch. In alle rust eten ze hun boterhammen. En die smaken wel hoor, na al dat harde werken op ‘t land.
De boerin gaat rond met een grote mand appels. De knecht laat zien hoe je een sjekkie draait. Een paar kinderen luisteren gebiologeerd naar de verhalen van de boer. Hij vertelt over vroeger, toen er nog geen tractoren waren en de leerplichtwet nog niet bestond. Toen de akker nog geen polder was en de natuur ongestoord haar gang kon gaan. Zijn overgrootvader bouwde de boerderij in 1863. Hij had voor twaalf nazaten gezorgd, dus het lokale kerkbestuur was bereid een lening te verschaffen. (Zo ging dat in het katholieke Brabant). Samen met zijn gezin wist hij het bedrijf overeind te houden. Maar het was een zwaar, zwaar bestaan.
De kinderen zien hoe de boer naar een willekeurig punt aan de horizon kijkt. Zonder zijn ogen van dat punt te halen, pakt hij zijn beul shag uit de borstzak van zijn overall. Hij zucht een keer.
Zodra het sjekkie in de fik staat, klapt hij in zijn kolossale handen. De kinderen veren op en pakken een lege krat. In een lang lint marcheren de jongens en meisjes terug naar de landerijen. Twee knapen rennen om het snelst naar de tractor. Ze zien hun enthousiasme beloond met een grote stofwolk die langzaam wordt meegedragen door de wind. De pastoor fietst voorbij. Hij zwaait naar de kinderen en de kinderen zwaaien terug. Iedereen is gelukkig en tevree.
Het is een mooie dag.

Maar in werkelijkheid ging het enkel en alleen om de knaken. De keiharde guldens waarmee je – zo ging het gerucht – je vrijheid kon kopen. Een zwarte Fender Stratocaster van Amerikaanse makelij, dat was mijn ticket naar die andere wereld.

In de zomervakantie van 1990 plukte ik mijn eerste tuinbonen. Het perceel bevond zich net buiten het dorp. Je mocht het werktempo zelf bepalen en het was lekker weer, dus zo erg was het allemaal niet. Maar met een productie van vijftien kratten per dag, berekende ik dat de prijs van een Stratocaster (1400 piek) gelijk stond aan drie maanden noeste arbeid. Dat was wel even schrikken.
Het jaar daarop stond ik wederom tussen de tuinbonen. Na twee weken had ik zoiets van: Dit schiet niet op. En het schoot inderdaad niet op want intussen was ik shag gaan roken en kocht ik af en toe een fles bananenlikeur. Dat was toen al heel normaal gedrag voor een dertienjarig snotjong.
De boer had ook een hectare herfstprei en die werd in de najaarsvakantie van ‘t land gehaald. Op de laatste betaaldag van het tuinbonenseizoen, zei de boer:
“Tis hard werke, moar ge kregt vier gulden per uur.”
Mijn mond viel open.
Vier gulden per uur…
Het eerste deel van de informatie verdween uit mijn geheugen als een onfortuinlijk vliegtuig in de Bermuda-driehoek. Dat laatste galmde minutenlang tussen mijn oren. Vier gulden! Dat was twee kwartjes méér dan het uurloon voor een vijftienjarige vakkenvuller bij de buurtsuper! Ik had nog geen prei aangeraakt, maar als ik mijn ogen sloot, zonk ik weg in een badkuip vol rijksdaalders.

Veredelingsbedrijven hebben door middel van kruising en genetische manipulatie een prei gekweekt die gelijkmatig groeit. Zodoende kan het machinaal worden gerooid. Je kunt daar van alles van vinden, maar het scheelt een hoop kutwerk.
Vijfentwintig jaar geleden werd prei namelijk met de hand geoogst. Gesneden, in vaktermen. Het is werk waar je zin in moet hebben, want een uitdagende functie is het allerminst: Met de ene hand wordt de prei uit de grond getrokken tot de wortels zichtbaar zijn. Met de andere snij je de wortels af. Beweeg de prei naar je toe en hak de bladeren af. Prei in de krat. Volgende.

Goede vriend T. spaarde ook voor een elektrische gitaar en hij besloot me te volgen naar die verborgen goudmijn op het Brabantse platteland.
Op een herfstige ochtend in 1991 fietsten we naar de boer. Er stond een stevige wind en gevoelstemperatuur lag rond het vriespunt. Het fenomenale uurloon bungelde als een winterpeen voor onze neuzen.
Toen we het erf op fietsten, zagen we een Duitse herder zijn kop optillen. Het oude beest ging staan en rende plichtsgetrouw op ons af tot zijn lange ketting bijna van de grond kwam. Het blaffen klonk eerder nieuwsgierig dan angstaanjagend.
De voordeur ging open en de boerin riep: “Kom moar verders! Hij doet niks heur!” De herder begon te kwispelen.
Binnen rook het naar gebraden vlees en zware Brandaris. In de woonkamer sloeg een eikenhouten wandklok zeven keer. De verwarming stond, denk ik, niet aan.
“Gullie zen mooi op taaid,” zei de boerin. “Kom, dan goan we subiet aant werk.”
In de stal gaf ze ons een regenpak, een paar laarzen en een groot mes. T. aaide met zijn duim over het snijvlak. Vlijmscherp.
We liepen door het veld naar de plek waar een tractor stond. Daar troffen we de boer en de knecht. Verder niemand. Hélemaal niemand.
En daar zaten we, op onze knieën in de Brabantse klei. Drie rijen prei voor ons neus, de knecht tussen ons in. De eerste meters was het nog aankloten, maar de knecht pakte links en rechts van onze prei zodat we zijn tempo konden volgen.
Zoals bij iedere nieuwe baan, vlogen de eerste uren voorbij. De collega’s waren nieuw, de omgeving was nieuw, alles rook en voelde anders. Af en toe maakten T. en ik oogcontact. Ongetwijfeld speelde hij ook op zijn virtuele gitaar.
Om tien uur kregen we thee. Even de benen strekken en de rug rechten. We zaten op een krat. De tractor bood gelukkig wat beschutting tegen het gure weer. Ik draaide een shagje, maar door de miezer en de wind werd het geen mooie.
“En? Hoe goa gut?” vroeg de boerin.
Een beetje pijn in de knieën, maar verder ging het goed. T. en ik vonden het best stoer dat wij – twee gezonde Brabantse kerels – zo hard aan het werk waren op ‘t land. Bovendien was het op die leeftijd heel wat om de verantwoordelijkheid te mogen dragen over zo’n groot en scherp mes.
Toen het harder begon te regenen, onze knieën serieus pijnlijk werden en het eerste sneetje in een vinger zat, vervloog die geur van volwassenheid als een scheet in de wind.

“Ge mot oewe praai nie drooie!”
Ik hoor het de boer nog letterlijk zeggen.
“Zukke grotte plaaisters hebbe waai nie!” waarschuwde hij wat later.
Mijn techniek was niet goed. Gevaarlijk zelfs in de ogen van de boer, want ik draaide de prei met een roterende armbeweging zodanig dat ik de bladeren er met verticale slagbewegingen af kon hakken. Ik moest van me af snijden. Horizontaal. Heel belangrijk!

Tussen de middag zaten we aan de keukentafel. De deur stond wagenwijd open waardoor het in de woonkeuken niet veel warmer was dan buiten. Verkleumd tot op het bot, klemden T. en ik onze handen om een beker kippensoep. De Duitste herder stak zijn kop naar binnen en zag dat alles in orde was. Ik keek het beest aan, het beest keek terug. Misschien is het omdat mensen in een benarde situatie op zoek zijn naar medelijden, maar ik kreeg toch echt het gevoel dat de Duitse herder met me te doen had. Daarna ging hij op de kokosmat liggen, zijn ogen naar buiten gericht. De boerin onderbrak het schillen van de aardappels en keek ons aan. Ze vroeg of we een extra paar sokken wilden. Ik heb me toen afgevraagd of er misschien toch een god bestaat.
De boer smakte acht boterhammen met slokjes zwarte koffie naar binnen. Hij bladerde in een agrarisch tijdschrift. De knecht at ook brood met koffie en bekeek de sportpagina’s in de krant. Daarna rookten ze een shagje. Ik rookte er eentje mee, ook al was de behoefte aan nicotine zo ongeveer mijn laatste.
In de woonkamer tikte de wandklok. De Duitse herder geeuwde een keer. T. en ik begaven ons daadwerkelijk in het boerenleven.

Met een klap op tafel besloot de boer het middagmaal. Hij kwam van zijn stoel en keek ons aan met ogen die onze ledematen in beweging zetten alsof het die van hemzelf waren.
Denken aan een elektrische gitaar was er niet meer bij. Het werd puur afzien. Vechten tegen de elementen, overleven op de Brabantse toendra waar windvlagen en koude regen met ons speelden alsof we Playmobile-poppetjes waren in de handen van een drukke peuter.

Iedereen heeft een breekpunt en na vier dagen bereikte ik het mijne. Ik lag op mijn rug op bed. De vingers van mijn linkerhand vol pleisters. Twee gloeiende knieën en een lijf zo zwaar als steen. Ik besloot één ding: Dit nóóit meer. Dan speel ik nog liever op de broodpijp!
Een paar tellen later sliep ik.

Dat jaar was ik veertien geworden waarmee een baantje als vakkenvuller bij de buurtsuper tot de mogelijkheden behoorde. Ik werd aangenomen en accepteerde het uurloon van drie gulden vijfentwintig.

Een jaar later kocht ik een zwarte Stratocaster.
Daarna werd alles anders.

Advertisements
This entry was posted in Korte verhalen. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

w

Connecting to %s