Tasje voor de muzik(l)ant

De reclame op een plastic boodschappentas vertegenwoordigt een mediawaarde/omzet van gemiddeld 75 eurocent. Reclamedeskundigen komen tot dit bedrag d.m.v. de volgende berekening:
(1 cent per view) X (25 views per gebruik) X (3 gebruiken per tasje) = 75 cent.
Winkeliers genereren deze omzet door plastic tasjes aan te bieden. En tegenwoordig moeten ze daar geld voor vragen. Kortom: het plastic tasje is kei goeie handel.

Vanwaar deze informatie?
In 2002 kocht ik een pc met internet. Myspace was toen nog helemaal hot. Sinds de ontdekking van sociale media, denk ik veelvuldig aan een nieuw verdienmodel voor de verouderde muziekindustrie. Het is een leuke hobby.
Vandaar.

De inspiratie voor mijn nieuwe hobby was niet aan te slepen. Door mijn rechter wijsvinger te bewegen, kon ik de ganse wereld laten luisteren naar mijn muziek. Het was een machtig gevoel, dat geef ik rustig toe.
Sociale media is van onschatbare waarde voor muzikanten, en het mooiste is: Het is voor gratis! Voor noppes! Alsjeblieft! Zo van: ga jij maar lekker omzet genereren voor jezelf!
Ineens konden muzikanten hun promotie zelf gaan regelen. Vanwege het persoonlijke contact met de fans (en de klanten), konden ze dat tien keer beter dan hun manager, uitgever, booker en PR-assistent samen. Deze vier partijen maakten een dansje van geluk. De dalende inkomsten konden worden opgevangen door het gros van de promotieactiviteiten “uit handen te geven”. Marktwerking heeft voor- en nadelen.

Tegenwoordig verdienen multinationals zoals Facebook en Youtube grof geld aan muzikanten. Ze krijgen dit voor elkaar om drie redenen:
1. Ze hebben een groot marktaandeel;
2. Ze ondernemen binnen de mazen van de wet;
3. Ze leveren een goed product (voor gratis).
Muzikanten worden – als ik het een beetje dramatiseer – gedwongen dit product te gebruiken. Op zich is dat prima, de klanten zijn immers van iedereen. Toch deel ik de mening onder muzikanten dat met name deze twee multinationals, onevenredig veel winst maken in vergelijking tot muzikanten, die notabene de omzet genereren.

Mijn nieuwe hobby liep al snel tegen een muur aan. Wat bleek nou: het auteursrecht voor muzikanten is een enorme bitch.
Om deze complexe materie beter te begrijpen, ben ik lid geworden van BAM: Beroepsvereniging voor auteur-muzikanten. Sindsdien ben ik een stuk wijzer geworden op dit gebied.
Zo weet ik nu dat, als het een beetje meezit, er binnen twee jaar nieuwe Europese wetgeving is waarmee grootverdieners als Facebook en Youtube verplicht worden om ietsje meer te betalen voor content met auteursrecht. Als het tegenzit, gaat dat langer duren.

De hamvraag bij het maken van deze nieuwe wet- en regelgeving is:
Hoeveel waarde heeft een view op Youtube voor de muzikant? (neem duizend views, dat rekent wat makkelijker).
Ik voorzie een juridische loopgravenoorlog eer daar een getal aan hangt. Youtube heeft namelijk één hele dikke troef in handen: Zij genereren omzet voor de muzik(l)ant.

De liberaal in mij zegt dat Youtube van mening is dat die omzet heul hoog is (maar dan ook écht heul). De socialist zegt dat het ook anders kan.

Tevens kun je mijn debuutroman bestellen op voordekunst.nl
Voor €20,- ligt een gesigneerd exemplaar bij jouw op de deurmat.
Dat is bekant voor gratis!

https://www.voordekunst.nl/projecten/5300-export-roman-1

Advertisements
Aside | Posted on by | Leave a comment

Amy Winehouse over de wereld, en dat soort dingen.

De deurbel gaat. Sinds ik hier woon, heeft er nog nooit iemand ’s nachts voor de deur gestaan.

Ja, vorig jaar een keer. Toen werd mijn nachtrust verstoord door het bonzen op ramen en deuren en de deurbel die seconden achter elkaar werd ingedrukt. Dat er iets loos was. Ik veerde op en trok de gordijnen open om te zien wie of wat. De buurvrouw stond onder mijn raam. Ze riep dat er brand was bij Terry, haar buurman, mijn overbuurman. Met een wapperende vinger wees ze naar het pand van onze straatgenoot. Ik opende het raam, stak mijn hoofd naar buiten en zag hoe donkergrijze rookpluimen door het ventilatierooster van Terry’s woning naar buiten werden gedrukt. De sirene van een brandweerwagen klonk in de verte. Dus toen heb ik de wodkafles even aan m’n mond gezet, om daarna weer rustig te gaan slapen.

Het is zo’n ouderwetse van metaal, aangeslagen door een elektrisch aangedreven kloppertje, ook van metaal. Met een snelheid als de tongslagen van een adder worden de indringende frequenties aangemaakt. Metaal op metaal. Vanuit de hal het trapgat in, om daar versterkt te worden als in de hoorn van een blaasinstrument.

De deurbel klonk niet lang genoeg om een urgente indruk te maken. Maar het was ook niet zo kort dat het onopgemerkt zou kunnen blijven. Het was een voorzichtige uitnodiging. Huis-aan-huisverkoop, een collecte, de buurjongen die zijn voetbal over de schutting schoot. Maar het is nacht.
Wie kan dit zijn? Het denken aan de mogelijke bezoeker, laat me bijna weer in slaap vallen, tot de deurbel nogmaals rinkelt. Wederom zonder aandringen.

Dan hoor ik een mannenstem. Twee mannenstemmen. Twee mannen staan in het holst van de nacht bij mij voor de deur. Ze praten rustig, bijna fluisterend. Ik sluit mijn ogen en probeer iets van de conversatie op te vangen. Het zijn geen lange zinnen, hooguit vier of vijf woorden per beurt. Ik kan er niet veel wijs uit. Het klinkt niet bedreigend, zorgwekkend evenmin.
“Oké,” hoor ik er eentje zeggen.
Voetstappen op de straatstenen. Lange passen met houten hakken. Iedere stap wordt opgevolgd door een zachte echo die je alleen hoort als er geen kip op straat is. Dan blijft de man staan.

Ik krijg een schok te verwerken vanwege een tikje tegen mijn slaapkamerraam. Een volgende druk op de deurbel was te verwachten, en als deze meerdere seconden was ingedrukt, dan had ik daar niet eens raar van staan te kijken. Maar dit had ik dus niét verwacht. Eén van de mannen moet een steentje hebben opgeraapt.
En wéér een tikje. Godnondeju! Meteen daarna:
“Hé, mooie leipo! Word eens wakker!”
Godzijdank. Een bekende stem, al weet ik zo gauw niet van wie. Het is goed volk, geen twijfelen aan. Die andere man ken ik nog niet. Maar degene die me riep, die weet wie ik ben!
Ik spring uit bed, trek een T-shirt aan. Een korte blik in de spiegel laat me glimlachen omdat een plakwimper is achtergebleven op mijn hoofdkussen. Zwarte make-up all over the place. Ik zie er uit om op te schieten. Dat zijn ze hier wel van mij gewend.
Vol verwachting ruk ik de gordijnen open en meteen begin ik te gillen van opwinding als ik zie wie de nachtelijke bezoeker is. Hij staat aan de overkant van de straat onder het witte licht van een lantaarnpaal. Nonchalante als altijd, wijdbeens met zijn handen in de zakken. Die ontwapenende grijns heeft hij nog steeds niet verloren. Terwijl ik het raam open maak, zwaait hij naar me. Zijn zwarte vingerloze handschoenen, lange donkere haren over de schouders van zijn spijkerjack. En natuurlijk een zonnebril. Joey draagt altijd een zonnebril.
“Joey!” roep ik als ik het raam open duw. Ik kan het bijna niet geloven.
“Hé, kleine tijger,” hoor ik onder me.
“Dee Dee!”
Ik gil nog een keer met de handen voor m’n mond. “Wat de fuck doen jullie hier?!”
“Sssst, niet zo hard,’ zegt Joey half lachend. “Je maakt de hele straat nog wakker met dat gekrijs.”
“Ja maar? Ja maar?” Ik kan nog steeds niet geloven dat de gebroeders Ramone bij mij voor de deur staan.
“We hebben goed nieuws,” zegt Dee Dee.
“Wacht, ik kom er aan!”
Ik roffel de trap af, trek de voordeur open en spring in de open armen van Joey. Hij pakt me lekker stevig vast. Zijn lange lijf tilt me even van de grond. Eigenlijk wil ik hem beklimmen en mijn neus in zijn hals drukken, zijn volwassen mannenstank vermengen met mijn kegel. Joey weet dat ik dat lekker vind, maar hij kust me op de wang en geeft me een gemoedelijk duwtje richting Dee Dee. Nog zo’n heerlijke stinkerd die het podiumzweet niet meer uit zijn systeem krijgt. Dee Dee is wat minder hoffelijk van aard. Hij pakt mijn hoofd met twee handen vast en geeft een kus op m’n mond. Dee Dee is een schatje.
“Kind, wat ben ik blij jou weer te zien.” Hij glimlacht met pufjes lucht door zijn neusgaten. “Was het gezellig gisteren?”

61737d8c5c983f8161979d0280bdf93f

Joey en Dee Dee Ramone

Om beurten kijk ik ze aan. Ze zijn groot en wild en stoer, en ze komen speciaal voor mij. We zijn geen familie maar het voelt alsof ik hun zusje ben. Ik hou van deze gasten.
Joey neemt zijn zonnebril af – een uitzonderlijke vertoning. Hij blijft me aankijken met jongensachtige ogen. Een nieuwe golf van opwinding trekt door m’n lijf. Met trappelende voeten op de koude stoeptegels, ga ik tussen beiden staan, sla ik mijn armen om hun middel. Als een gigantische koptelefoon druk ik hun borstkassen tegen mijn oren. Ik wrijf mijn handen snel en stevig over hun ruggen.
“Mogen we even binnenkomen?” zegt Joey.
“Ja, ja. Kom binnen, kom binnen. Willen jullie een biertje?”
Natuurlijk lusten ze een biertje.

Joey en Dee Dee lopen de huiskamer binnen. Terwijl ik de voordeur sluit, vraag ik waarom ze in godsnaam midden in de nacht op visite komen, en waarom ze in godsnaam niet eerst even konden bellen, dan had ik me iets feestelijker kunnen kleden. Voor de spiegel in de hal trek ik de overgebleven plakwimper los. Normaal gesproken doet dat even pijn, maar nu is het niets meer dan een kriebeltje.
“We kregen een spoedklus van de Elvis,” zegt Joey vanuit de woonkamer.
“Echt waar? Wauw!” Als Elvis een spoedklus heeft, dan is het ook daadwerkelijk een spoedklus. Ik ben zó benieuwd. “Vertel! Vertel!”
“Pak eerst eens onze biertjes en kom dan even rustig zitten.”
Dee Dee neemt mijn akoestische gitaar uit het standaard en gaat ook aan tafel zitten. Hij onderbreekt zijn spel als ik een blikje kouwe tets voor z’n neus zet. We proosten op de koning en nemen de eerste slok. Een moment van berusting zweeft door de woonkamer. Dee Dee laat een boer.
“Oké!” zeg ik met een aanmoedigende pets op tafel. “Voor de draad er mee.”
“Luister, Amy,” zegt Joey. Hij laat een tactische stilte vallen. “Het loopt daar beneden helemaal uit de hand en Elvis heeft er zo onderhand schoon genoeg van. Hij heeft besloten om actie te ondernemen.”
“Een interventie? Ja, echt?”
“Nou, je moet het iets genuanceerder zien. Hij gaat zelf niet naar beneden, althans, voorlopig niet. Hij heeft ons gevraagd om uit te zoeken of er iemand vrijwillig wil gaan. Hij heeft ons gevraagd eerst bij jou aan te bellen.”
“Dit meen je niet?”
“Ja, Amy. Jij mag, als je wilt, naar beneden. To kick some ass!”
“Mijn god…”
“Je mag er rustig over nadenken. Het heeft geen haast.”
Ik neem een grote slok van mijn bier en steek een sigaret aan.
“Godsamme. Je overvalt me.”
“Het heeft geen haast. Echt niet.”
“Joey, het is diep in de nacht en wij zitten aan het bier. Vind je het oké dat ik vermoed dat het weldegelijk haast heeft?”
“Ja, sorry… Er zit inderdaad behoorlijk was spoed achter. Sterker nog, je moet een beslissing nemen voor die sigaret op is.”
We kijken naar de sigaret tussen mijn vingers die voor een kwart is opgebrand.
“Ach, kom,” zeg ik. “Zo erg kan het beneden toch niet zijn? Het zal wel loslopen. Toch?”
“Wil jij het risico nemen?” vraag Joey.

Dee Dee speelt het intro-rifje van Metallica’s Harvester of Sorrow.

De actualiteiten van de laatste weken schieten door m’n hoofd.
Een koude rilling trekt over mijn rug.
Elvis heeft niet voor niks een interventie op het oog.
Ik leg de sigaret in de asbak en steek een nieuwe op. Dee Dee geeft een knipoogje.
“Waarom ik? Waarom heeft hij Lennard niet gevraagd? Of David?”
“Lennard en David moeten nog even bijkomen. Dat gaat echt nog niet,” zegt Joey.
“Ja, oké. Maar waarom ik?”
“Lieverd, je hoeft niet te gaan.”
De sigaret is inmiddels voor meer dan de helft opgebrand.
“We dachten dat jij het misschien wel leuk zou vinden om Blake weer te zien.”
“Nee, Joey. Dat vind ik gemeen. Je weet dat Blake mijn zwakke punt is. En bovendien ga ik het nooit lang uithouden met hem. Dat weet jij dondersgoed! En dat weet Elvis helemaal dondersgoed!”
“Sorry.”

Er valt een langdurige stilte.
Of ik het risico wil nemen?

We kijken naar de sigaret die de filter begint te verwarmen.
De lange askegel breekt af.

Ik heb een borrel nodig.

PRIJSVRAAG
Welke bestsellerauteur lees je terug in dit verhaal?
De eerste met het goede antwoord wint natuurlijk een gesigneerd exemplaar van mijn debuutroman.
Doe eens gek! Doe een gok!
Je kunt ook op veilig spelen en mijn boek bestellen op voordekunst.
https://www.voordekunst.nl/projecten/5300-export-roman-1

Veul succes!

Image | Posted on by | Leave a comment

Subsidie vs. crowdfunding

Sommige mensen vinden het een vies woord. Ik vind dat helemaal niet. Althans, subsidie voor landbouw vind ik discutabel. Voor kunst en cultuur is mijn devies: Hoe meer hoe beter! Zo vielen de mannen van De Staat vorig jaar in de prijzen. Ik vond dat met afstand het beste nieuws van 2016.

Kunst en cultuur zijn altijd in ontwikkeling en ontwikkeling kost bloed, zweet, tranen en knaken. Creatieveling doen dat graag, hun lichaamsvocht ter beschikking stellen aan de kunst. Soms mag daar gerust wat tegenover staan. En als er een paar miljoen wordt besteed aan projecten waar geen haan naar kraait, dan vind ik dat helemaal geen schande. Volgende keer beter.

Aan de andere kant ben ik liberaal genoeg om het op eigen kracht te willen doen. En bovendien, ondernemen is ontzettend leuk. Vooral als je al eens een keer flink op je bek bent gegaan, want dan weet je hoe het werkt. Dan tel je mee.

Ik zal het maar eerlijk bekennen: Het publiceren van mijn debuutroman is niet gratis en ik heb de loterij nog steeds niet gewonnen.

Speciaal voor het type creatieveling van mijn kaliber, is er crowdfunding in het leven geroepen. Crowdfunding is (nog steeds) in de mode en het schijnt ook goed te werken om je netwerk te activeren.

Nog een paar dagen, en dan begin ik aan het meest spannende avontuur van m’n leven.

Aside | Posted on by | Leave a comment

Disorder

Ik loop altijd een paar jaar achter de mode aan. Het bespaart een hoop geld en uiteindelijk mis je niks. Zo zag ik laatst de film Control van ons aller Anton Corbijn.

Een kort verhaal naar aanleiding van een nachtelijke autorit met Joy Division in de cd-speler… en Elvis.

Disorder

We rijden op de middelste baan van een driebaans snelweg, een kilometer of vijftig per uur. Voor ons is niemand te zien, in de spiegel een lange colonne politiewagens. Het lint van rode en blauwe zwaailichten achtervolgt ons als een hongerige gifslang. Een helikopter schijnt ons bij met een zoeklicht.
Af en toe komt een politiewagen naast ons rijden. Dan horen we een mannenstem door een megafoon schreeuwen, dat we moeten stoppen. En wel nu meteen!

“We zijn er bijna,” zegt hij rustig.
“Ja, we zijn er bijna,” zeg ik.
“Waarschijnlijk komen we nog één wegblokkade tegen, maar dat kan niet veel zijn.”
“Nee, dat kan nooit veel zijn.”
De vorige blokkade was een koud kunstje. Met het grootste gemak slingerde hij langs de overdwars geparkeerde politiewagens. Hij is een geweldige chauffeur. Zijn stuurmanskunst heeft iets weg van een Zuid-Amerikaanse topvoetballer die met een paar eenvoudige schijnbewegingen door de linies breekt en met gesloten ogen de doelman passeert. Hij speelt met het gewicht van zijn wagen, alsof hij een bezemsteel op het topje van zijn wijsvinger laat balanceren. Hij vertrouwt op zijn stalen sjees, en hij vertrouwt op Elvis Presley.
Sinds we elkaar kennen heeft hij het een paar keer gezegd: “Als je niet weet wat je moet doen, blijf dan in ieder geval rustig. Stay cool, net als Elvis. Zorg dat hij trots kan zijn op jou.”
Toen we op de vorige wegblokkade afreden, zal hij ook aan Elvis hebben gedacht. Gewoon rustig blijven, dan komt het allemaal vanzelf goed. We zaten tegen de honderdtachtig per uur. Hij liet de motor van zijn wagen het hoogst mogelijke toerental produceren. De achtervolgers namen afstand toen we de wegversperring tot op een paar honderd meter hadden genaderd. Zijn rechtervoet bewoog geen millimeter. Op een of andere manier was hij er van verzekerd dat wij hier zonder kleerscheuren vanaf zouden komen.

We laten ons niet meer beetnemen, besloten we vanmorgen. We hebben ze nog gewaarschuwd, maar ze wilden het niet van ons aannemen. Nou, dat hebben ze geweten hoor. Dat hebben ze godverdomme geweten.
Was het goed?
Of was het slecht?
En wie bepaald dat?
Het kan ons geen moer schelen.

Vanaf het moment dat de achtervolging begon, zat hij achter het stuur alsof we naar de supermarkt reden voor de wekelijkse boodschappen: zijn linker hand losjes boven op het stuur, de andere hand op de versnellingspook.
Als hij achter het stuur zit, dan beleeft hij een soort superconcentratie. Scherp en alert voor het geval een buitenstaander het voedsel uit zijn territorium komt roven. Rustig en beheerst om energie te sparen voor als het er echt om draait.
Regelmatig zoekt hij in de spiegels naar verdachte bewegingen. Met dezelfde regelmaat bekijkt hij mij vanuit zijn ooghoeken.
Het stelt me gerust.
“Ze nemen weer afstand,” zegt hij. “Ik denk dat de laatste blokkade er aan komt.”
Hij geeft alvast gas bij.
De rode en blauwe zwaailichten reflecteren steeds minder op het dashboard.
Hij schakelt een versnelling hoger.
In de buitenspiegel zie ik de witte strepen op het wegdek steeds sneller voorbijschuiven, maar als ik mijn ogen sluit, voel ik niet dat de snelheid toeneemt. Alleen als ik goed luister hoor ik een lichte schommeling in het toerental van de motor als hij doorschakelt.

We horen iemand wakker worden, waarop hij begint te glunderen.
“Wil je haar even op schoot nemen? Dan kan ik naar haar kijken.”
Als ik haar in mijn armen neem, dan denk ik altijd heel even aan Elvis. Het lijkt alsof ze dat voelt, dat ik rustig blijf en cool ben, dat ik trots ben op haar.
Ze slobbert uit haar flesje en kijkt ondertussen naar haar vader, die zijn aandacht met veel moeite op de weg weet te houden.
“Drink maar lekker,” zeg hij. “We zijn er bijna.”

We rijden de helling van een brug op. Als we de rivier oversteken zien we in de verte een opeenhoping van zwaailichten en bouwvakkerslampen.
“De laatste blokkade,” zegt hij.
Ik leg haar voorzichtig terug op de achterbank en stop haar toe. Bijna direct valt ze in slaap.
Ik draai de rugleuning helemaal horizontaal, trek de deken over me heen en ga op m’n zij liggen. Ik wil dat ze haar moeder ziet als ze wakker wordt.
Hij grabbelt in het dashboardkastje naar een cd. Het is Unknown Pleasures van Joy Division. De openingstrack is Disorder, dat weet hij maar al te goed.

Hij schakelt naar de hoogste versnelling. Zijn rechtervoet drukt het gaspedaal tegen de bodem. Als het toerental niet meer oploopt, vallen mijn ogen dicht.
“Nog een klein stukje,” zegt hij. “We zijn er bijna.”
We blijven rustig, we zijn cool, we denken aan Elvis.
Knipperende lichten schijnen steeds feller door mijn oogleden.
Het geluid van loeiende sirenes links en rechts.
De auto zwenkt lichtjes.
Het voelt als wiegen.

Dan rijden we weer in een rechte lijn.
Met grote teugen zuigt hij de lucht diep in zijn longen.
Ze wisten het, dat hij niet zou stoppen.

De knipperlichten doven weer.
Het toerental daalt.
De helikopter verdwijnt en we rijden rustig verder.

Posted in Korte verhalen | Tagged , , | Leave a comment

Mannen zonder vrouw

Sinds kort kan ik zijn naam uitspreken zonder de letters te visualiseren:
Haruki Murakami. Een Japanse schrijver van bestsellers.

Twee bevriende muzikanten raadden (onafhankelijk van elkaar) zijn werk aan. Reeds jaren geleden zeiden ze: ‘Echt iets voor jou!’ De ander: ‘Dat ga jij gaaf vinden!’
Vorige week bestelde ik een tweedehandsje op internet. Welke titel uit zijn oeuvre het zou worden, was gauw bekeken.
En inderdaad, de stijl van ons Haruki is op mijn lijf geschreven.

‘Op allerlei manieren. Ik heb van alles geprobeerd. Maar waar het in feite op neerkomt is zo negatief mogelijk over haar te denken. Ik ga op zoek naar allerlei gebreken, of naar al de minder goede punten die ik maar kan vinden, en daar maak ik een lijst van. En die herhaal ik dan steeds in mijn hoofd, als een soort mantra, en dan houd ik mezelf voor dat ik van zo’n soort vrouw vooral niet meer moet gaan houden dan nodig is.’
‘En is het gelukt?’
‘Niet erg,’ zei Tokai hoofdschuddend. ‘Een van de redenen is dat ik niet erg veel negatieve kanten in haar kan ontdekken. Een andere is dat ik mezelf door die negatieve kanten ontzettend aangetrokken voel. En verder kan ik het onderscheid niet meer maken tussen wat te veel voor me is en wat niet. Die scheidingslijn kan ik niet goed meer zien. Het is voor het eerst in mijn leven dat ik zulke onsamenhangende, onontwarbare gevoelens koester.’
Ik vroeg hem of hij in alle jaren dat hij met zo veel vrouwen was omgegaan ooit zo erg in de war was geweest.
‘Dit is voor het eerst,’ zei hij droog. Daarna haalde hij van ver achterin een oude herinnering tevoorschijn: ‘Nu je het zegt, op de middelbare school heb ik iets ervaren wat er op leek – heel kort maar. Pijn in het hart als ik aan iemand denk, nauwelijks in staat om aan iets anders te denken… Maar dat was niet wederzijds; mijn gevoelens werden niet beantwoord. Nu is het compleet anders. Ik ben nu een volwassen kerel, en zij en ik hebben een seksuele relatie. Waarom ben ik dan zo hoteldebotel? Als ik nog langer aan haar blijf denken, gaat mijn gezondheid er nog onder lijden. Het is niet goed voor mijn spijsvertering en mijn ademhaling.’
Hij zweeg even, alsof hij wilde controleren of zijn spijsvertering en zijn ademhaling nog wel goed functioneerden.
‘Als ik het zo hoor, doe je enerzijds moeite om niet te veel van haar te gaan houden, maar tegelijkertijd verlang je er net zo hard naar om haar niet te verliezen,’ zei ik.
‘Dat heb je goed gezien. Mijn gevoelens spreken elkaar tegen. Ik scheur mezelf in tweeën: ik verlang naar twee tegenovergestelde dingen tegelijkertijd, en dat lukt nooit, hoeveel moeite ik ook doe. Maar ik kan niet anders. Ik wil haar niet verliezen. Als dat zou gebeuren, zou ik zelf ook ergens verloren gaan.’
‘Maar ze is getrouwd, en ze heeft een kind.’
‘Dat klopt.’
‘Hoe denkt zij trouwens over jullie verhouding?’
Tokai hield zijn hoofd schuin terwijl hij naar woorden zocht.

Uit Mannen zonder vrouw.
(Vertaald uit het Japans door Jacques Westerhoven)

Aside | Posted on by | Leave a comment

En verder is er niets

“Zo zo. Dat is een respectabele werkgever,” zegt Feskens.

“Dat is het,” zegt van de Mortel.

“En? Is het leuk werk?”

“Nee, het is vreselijk.”

Het geluid van dood en verderf klinkt tussen de oren van van de Mortel. Die twee dingen maken geen specifiek geluid, dat weet Van de Mortel heus wel.

“Waarom ben je daar dan gaan werken?”

“Ik had geen keuze,” zegt van de Mortel.

“Gelul,” zegt Feskens. “Je hebt altijd een keuze.”

En daar had Feskens een sterk punt te pakken.
Ook al maakt het niks uit wat je kiest, een keuze heb je altijd.
Soms blijkt jaren later dat het de verkeerde was.
Sta je daar, met al je goeie bedoelingen.
En misschien is het over twintig jaar weer andersom.
Wie (of wat) zal het zeggen.
Het leven is een soort van kettingreactie.
Je kunt een beetje afremmen of versnellen, maar dat is het dan.

“Zeg, hoe gaan we dit doen?”

Ze kijken naar hun auto’s. Deze zijn volgestouwd met huisraad van Biemans.

“Allebei een auto? Het moet er toch een keer uit.”

Zwijgend sjouwen Feskens en van de Mortel de inboedel die voortkwam uit de vechtscheiding van hun gemeenschappelijke vriend, het huis in.

’s Avonds zitten ze met z’n drieën in een bruine kroeg. Ze drinken bier en luisteren naar een singer-songwriter die met haar band op het podium staat. De jonge vrouw zingt in het Engels en ze speelt op een akoestische gitaar. Haar lichtblauwe lange jurk van dunne stof deint mee op haar ritmische stappen. Het zijn droevige liedjes, maar de singer-songwriter presenteert ze met een gelukzaligheid alsof ze voor wereldvrede pleit.

“Volgens mij heeft ze talent,” zegt van de Mortel.

“Ik denk het ook,” zegt Feskens.

“Ja, waarschijnlijk heeft ze talent,” zegt Biemans.

De zangeres kondigt het volgende nummer aan: “Feathers”.

“En vedder’s niks,” zegt Biemans.

(In Brabant ligt de humor gewoon op straat)

De zangeres vertelt dat het lied over de quality-time met familie gaat, die volgens haar altijd te kort duurt, omdat het zo fijn is, met de familie.
Van de Mortel perst zijn lippen op elkaar.

Een uurtje later zijn ze verkast naar een grotere tent. Het is gezellig druk en je mag binnen roken. Op het podium staat een surf-rockband. Het publiek gaat lekker te keer in de mosh-pit.

“Leguana deathwish?!” zegt van de Mortel.

“Nee, Iguana Death Cult!” zegt Biemans.

“Wat is dat? Iguana?”

“Weet ik veel!”

“Bier!” zegt Feskens

Gebroederlijk steekt het drietal hun plastic bekers omhoog waarna van de Mortel pleit voor een circlepit. Ze lachen alle drie want ze zijn al tegen de veertig en dan doe je dat natuurlijk niet meer. Maar toch… Stel dat er bij het podium spontaan een circle-pit zou ontstaan, dan kunnen we er donder op zeggen dat de drie mannen onderdeel waren geworden van de circulerende vleesmassa, want het zijn een stel kwajongens hoor, die van Feskens, Biemans en van de Mortel.
Maar het zijn wel goeie jongens.
Goeie Brabantse jongens.

Na het optreden zorgt de DJ voor gezelligheid op de dansvloer. Hij zet het volgende nummer in waarop enthousiast wordt gereageerd.

“Yes!” roept van de Mortel.

“Too drunk!”

“To fuck!”

Wederom met hun plastic beker in de lucht, zingen ze mee op de melodie van de monsterhit van Dead Kennedy’s.

“Bier!!!”

“Halve liters!!!”

“Snel!!!”

Als onhoudbare pubers dansen de drie vrienden op een reeks punk-klassiekers. Biemans laat zijn beste moves zien. Van de Mortel staat zelfs even te molenwieken. Feskens tapt met zijn cowboylaarzen, af en toe balt hij een vuist om zijn vrienden aan te moedigen.
Het is feest.

Dan begint de DJ een blokje reggae. Feskens, Biemans en van de Mortel proberen de DJ op andere gedachten te brengen door al spelend op een luchtgitaar voor zijn neus te headbangen, maar de DJ geeft geen krimp, zoals het hoort.
Dan houdt Feskens het voor gezien. Zijn zoontje staat de volgende ochtend om negen uur op het voetbalveld. Geef hem eens ongelijk.

Een uur later staan Biemans en van de Mortel nog steeds op de dansvloer met hun feromonen te smijten.

“Heb jij nog muntjes?!” roept van de Mortel.

“Nog vier! Twee halve doen?!”

“Bring it on!”

“Oké!” roept Biemans. “Daarna ga ik echt naar huis hoor! Morgen heb ik de kinderen!”

Het werden vier halve liters de man. Ze konden nog redelijke goed fietsen, dus het viel allemaal wel mee.

Bij thuiskomst pakte van de Mortel een blikje bier. Hij flanste een paar sigaretten in elkaar en liep naar zijn platenkast om het feestje voort te zetten met de muziek van Dead Kennedy’s.

Van de Mortel was blij dat hij die avond had kunnen vertellen over het gezin waar hij van hield. Dat het een echte gezinssituatie was, met een vader en een moeder die verliefd waren, en een dochter van zes die gelukkig was. Voor het eerst in zijn leven voelde van de Mortel een serieuze verantwoordelijkheid op zijn schouders rusten. Hij was er fier op.
De laatste tijd zegt Van de Mortel wel vaker dat hij die kleine mist. En meestal zegt hij daarna: “En we speelden altijd de slachtkoe,” zodat de andere wel haast moet vragen wat dat is, de slachtkoe, (een verzinsel van die kleine wijsneus) en dan vertelt van de Mortel over de mand met knuffels die ze omkieperden, en dat die knuffels de borden en het bestek waren waarmee ze de tafel dekten voor de cowboys, en dan riepen ze d’r moeder naar boven en die was dan de slachtkoe die ze met een sjaal doormidden hakten en daarna op de bed gooiden, op de barbecue. Ze hadden zelfs het plan om een tijdmachine te bouwen met van die grote vellen flip-overpapier die van de Mortel van zijn werk had gejat.
Het is er, jammer genoeg, niet van gekomen.
Hij kon het niet meer.

Ineens dacht van de Mortel aan de volgende dag.
Hij dronk een glas cola en smeerde een paar boterhammen met zelfgemaakte eiersalade.
Onder het eten keek hij op Youtube naar een wazig filmpje over een man en een vrouw die over het strand lopen, over een donkere snelweg rijden. Precies op de maat van muziek explodeert een auto, waarop zij begint te lachen. De man rookt een sigaret en weet zich geen houding te geven.
Dan liggen ze in het hoge gras.
Zij ligt met haar hoofd in zijn schoot.
Hij blijft cool.
Ze lijken haast collega’s.
Ze zijn wel oké.

Posted in Korte verhalen | Leave a comment

Navenant en de koebel

Iedere werkgever organiseert eens in de zoveel tijd een bedrijfsuitje. Feestjes met karaoke en alcohol zijn het meest gewild onder werknemers. Karaoke en alcohol versterken de collegiale band.

Een paar maanden geleden ging ik met mijn collega’s naar een escape-room. Het was mijn eerste ervaring met deze hype.
Het werd een dag om nooit te vergeten.

Spanning en sensatie.
Iedereen als een kip zonder kop zoeken naar een aanwijzing om de cijfercode te vinden. Eentje schreeuwde de hele tijd.
We kwamen er niet doorheen.
De tijd begon te tikken.
Ik staarde me blind op details.
Die ene schreeuwde nog steeds.
Mijn baas wist het ook niet meer.

Daarna zaten we met z’n alle in een grote kring voor een djembé workshop.
Het leek alsof dertig man zich verplicht voelde een stukje emotie te leggen in het trommelen op het Afrikaanse instrument dat door zo her en der als een hondenpoepzakje werd aangeraakt.
Een enkeling kwam niet bij van het lachen.
Het merendeel stond perplex, alsof ze voor het eerst zagen sneeuwen.
Iemand maakte een filmpje.
Een paar gaven het op.
Het was prachtig.
De barbecue was heerlijk en er waren veel te veel toetjes.
Over die ene a-ritmische collega werd nog dagenlang geroddeld.

Navenant is een van mijn favoriete woorden. Ik hou van schrijven dus alle woorden zijn me lief, slechts een beperkt aantal weet mijn klankvoorkeur zo goed te benaderen als navenant. Het zal wel iets met mijn Brabantse genen te maken hebben.

Wat navenant is voor mijn schrijven, is de koebel voor mijn muziek.
Het percussie-instrument is nou verbonden aan het rock genre. Bands als AC/DC, KISS en Bruce Springsteen verdienen er miljoenen mee.
Als de koebel goed wordt gearrangeerd, bereikt men een top resultaat. Een misplaatste dan wel overbodige koebel klinkt als een lul op een drumstel. Dit is een ongeschreven wet in de rockscene.

Nog niet eerder schreef ik lied waarbij de koebel m.i. passend zou zijn.
Het is een kwestie van geduld.

Nog niet eerder vond ik een respectabele manier om navenant in zinsverband te gebruiken.
Jaren van wachten werd beloond.

Vandaag timmerde ik deze in elkaar:

Na werktijd gingen ze wel eens wat drinken of uit eten. De eerste keer voelde ietwat onwennig, zo zonder de formele werksfeer. Toen er een paar wijntjes in zaten werd duidelijk dat ze vriendinnen zouden worden.
Hun collegiale band versterkte navenant.

 

Posted in Uncategorized | Leave a comment